Het kan een mens maar bezig houden. Al enkele dagen loop ik mij te verwikkelen over hoe de inwoners van Oxford eigenlijk worden genoemd. Haarlemmers, Amsterdammers – allemaal vrij duidelijk en logisch. Maar de mensen uit Oxford dan. Oxfordammers? Lijkt me niet. Mijn tijd in Kaapstad (Capetonians voor de Kaapse inwoners) had mij al gauw geleid naar de term Oxfordians. Oxfordians. Klinkt strijdlustig. In gedachten zie ik de Oxfordian mannen al met hun zwaarden en lansen de stadsmuren verdedigen. Maar hoe kan een mens vertrouwen op zijn eigen gedachten? Dus toch even de historische feitjes van de stad doornemen. En jawel, niets blijkt minder waar. De uitleg die wordt omschreven bij Oxfordians, is verre van het zwaardgekletter en dappere ridders die ik in gedachten voorbij zag draven. Want welnu, Oxfordians zijn degene die geloven dat Shakespeare zijn werk niet zelf heeft geschreven, maar dat Edward de Vere, de 17e Graaf van Oxford (vandaar), de vader is van de befaamde gedichten en theaterstukken. Een hele theorie is hier op gebasseerd. Uiteraard mét een groep aanhangers voor Club Shakespeare (oftewel Stratfordians, naar de geboorteplaats van). Maar voordat iedereen in een beduusde strijd verwikkelt raakt over het welles-nietes en hoe-en-wat van Shakespeare en zijn geschriften, laat ik de informatie hierbij voor wat het is. Rest het schijnbaar onoplosbare raadsel van hoe de mensen uit Oxford dan wél worden genoemd. Enige zoekwerk brengt mij op de verwoording: Oxonians. Dát is de naam van de mensen die uit Oxford komen. Een lichte dooddoener. Nergens klinkt het woord Oxonian zo ridderlijk als dat ik in gedachten had.
Om mij toch enigszins onder de Oxonians te begeven (ik verkies ‘Oxfordians’) ben ik gestart met een typisch Engelse sport. Jawel, polo! De sport met een stok, een bal én een paard. Het scheelt toch dat ik mijn rijkunsten enigszins naar behoren heb behouden, want de sport zelf is echt een kunst op zich. Allerlei manoeuvres op een paard uithalen wat ik in mijn leven nooit gedurft heb, allen met snelheid en een doel: de bal raken (oké, de bal in het doel krijgen – maar dat is stap 2). Het paard galopeert de goede richting uit en ik focus mij ondertussen op de bal. Rest mij slechts een waanzinnige beweging om de bal te meppen. Al dravend begeef ik mij over de vlakte, mijn haren in zwierende bewegingen door de snelheid die ik maak, ik lift mijzelf op uit het zadel en mijn paard geeft alles wat hij kan. Als een heuze Amazone houd ik mijn focus strak op de bal, mijn tegenstanders laat ik ver achter mij en ik streef met flinke snelheid op mijn doel af..
Pof. Daar gaat mijn mallet tegen de bal. Enkele luttele meters komt het balletje weer tot stilstand. Nice! Toch nét iets verder dan de vorige keer, schat ik zelf zo in. Oké. Ik zou mijzelf graag zien als de onverschrokken Amazone maar ik zal eerlijk toegeven dat ik mijn weg naar de kampioenschappen aldoende gauw voorbij heb zien varen (draven) maar dat de sport zelf toch echt ontzettend leuk is. Het is heerlijk om buiten op het paard te begeven, de stok is een nog wat onwennig gereedschap, maar mijn slag gaat steeds beter en de bal kan ik al aardig vinden. Althans, mijn paard weet veelal waar de bal te vinden. Deze paarden zijn zo ontzettend goed getraind dat ik aardig wat kan laten zien door simpelweg te blijven zitten. Het is een zware sport, die rare poses en manouevres, alles draait om snelheid, timing en vooral durven: het elkaar wegduwen met de paarden is niet één van mijn favoriete oefeningen, ondanks dat de paarden getraind zijn niet te steigeren en het opmerkelijk is dat zij daar schijnbaar lol in hebben. Soms zoeken ze elkaar op om de duw-manoeuvre in te zetten. Evenals de harde klappen die over het hele veld te horen zijn: het zijn de paarden die direct reageren en het open veld in galopperen, rest de ruiter (ik verkies ‘Amazone’) de richting te sturen en de actie netjes af te maken met een waanzinnig doelpunt.
Het leven in Oxford bevalt goed. De studie is goed te volgen, interessant en ik vind het heerlijk mijn boeken te pakken en ergens in de stad in het voorjaarszonnetje met een kopje koffie te leren. De omgeving neem ik nog iedere dag met ontzag in mij op. Het blijft ondenkbaar prachtig. Zelfs de Oxonian-vogeltjes hier zijn dolgelukkig, en ietwat verward, althans dat maak ik op uit het getjilp dat zich vanaf midden in de nacht aandoet. Het is ‘s nachts op mijn fietsje een rustgevend geluid. En ook vanuit mijn bedje is het toch wel heel zalig om met open ramen de volgeltjes te horen tjilpen, ondanks de meest absurde tijden in de nacht. De pubs in Oxford zijn ook altijd druk en levendig, de Engelsen maken er een dagsport van om uit het werk de pub in te duiken. De meest fameuze is toch wel Turf Tavern, waarover ik graag wil mededelen. Ontstaan in 1371 en nog steeds fier overeind. Gebouwd vlak buiten de stadsmuren vanwege illegale praktijken (als haangevechten en blote-vuist-gevechten), de imposante stadsmuren zijn nog steeds te zien. Anno 2012 bevindt de pub zich in hartje centrum, verborgen tussen de oude stadsmuren en Oxford University gebouwen. Steegjes en gangetjes leiden tot een prachtig bescheiden terras en een heel gezellige pub. Een ontmoetingspunt voor studenten. En altijd druk. Ik vind het heerlijk om de eeuwenoude pubs te bezoeken, de ruimtes ademen als het ware de geschiedenis dat zich daar heeft afgespeeld. En als muren konden praten.. Ja, dan zou ik avond aan avond zitten luisteren naar de eeuwenoude verhalen over ridders te paard, moedig en strijdvaardig bij de stadsmuren en over andere historische Oxonians.


