Oxford Knights

Het kan een mens maar bezig houden. Al enkele dagen loop ik mij te verwikkelen over hoe de inwoners van Oxford eigenlijk worden genoemd. Haarlemmers, Amsterdammers – allemaal vrij duidelijk en logisch. Maar de mensen uit Oxford dan. Oxfordammers? Lijkt me niet. Mijn tijd in Kaapstad (Capetonians voor de Kaapse inwoners) had mij al gauw geleid naar de term Oxfordians. Oxfordians. Klinkt strijdlustig. In gedachten zie ik de Oxfordian mannen al met hun zwaarden en lansen de stadsmuren verdedigen. Maar hoe kan een mens vertrouwen op zijn eigen gedachten? Dus toch even de historische feitjes van de stad doornemen. En jawel, niets blijkt minder waar. De uitleg die wordt omschreven bij Oxfordians, is verre van het zwaardgekletter en dappere ridders die ik in gedachten voorbij zag draven. Want welnu, Oxfordians zijn degene die geloven dat Shakespeare zijn werk niet zelf heeft geschreven, maar dat Edward de Vere, de 17e Graaf van Oxford (vandaar), de vader is van de befaamde gedichten en theaterstukken. Een hele theorie is hier op gebasseerd. Uiteraard mét een groep aanhangers voor Club Shakespeare (oftewel Stratfordians, naar de geboorteplaats van). Maar voordat iedereen in een beduusde strijd verwikkelt raakt over het welles-nietes en hoe-en-wat van Shakespeare en zijn geschriften, laat ik de informatie hierbij voor wat het is. Rest het schijnbaar onoplosbare raadsel van hoe de mensen uit Oxford dan wél worden genoemd. Enige zoekwerk brengt mij op de verwoording: Oxonians. Dát is de naam van de mensen die uit Oxford komen. Een lichte dooddoener. Nergens klinkt het woord Oxonian zo ridderlijk als dat ik in gedachten had.

Om mij toch enigszins onder de Oxonians te begeven (ik verkies ‘Oxfordians’) ben ik gestart met een typisch Engelse sport. Jawel, polo! De sport met een stok, een bal én een paard. Het scheelt toch dat ik mijn rijkunsten enigszins naar behoren heb behouden, want de sport zelf is echt een kunst op zich. Allerlei manoeuvres op een paard uithalen wat ik in mijn leven nooit gedurft heb, allen met snelheid en een doel: de bal raken (oké, de bal in het doel krijgen – maar dat is stap 2). Het paard galopeert de goede richting uit en ik focus mij ondertussen op de bal. Rest mij slechts een waanzinnige beweging om de bal te meppen. Al dravend begeef ik mij over de vlakte, mijn haren in zwierende bewegingen door de snelheid die ik maak, ik lift mijzelf op uit het zadel en mijn paard geeft alles wat hij kan. Als een heuze Amazone houd ik mijn focus strak op de bal, mijn tegenstanders laat ik ver achter mij en ik streef met flinke snelheid op mijn doel af..
Pof. Daar gaat mijn mallet tegen de bal. Enkele luttele meters komt het balletje weer tot stilstand. Nice! Toch nét iets verder dan de vorige keer, schat ik zelf zo in. Oké. Ik zou mijzelf graag zien als de onverschrokken Amazone maar ik zal eerlijk toegeven dat ik mijn weg naar de kampioenschappen aldoende gauw voorbij heb zien varen (draven) maar dat de sport zelf toch echt ontzettend leuk is. Het is heerlijk om buiten op het paard te begeven, de stok is een nog wat onwennig gereedschap, maar mijn slag gaat steeds beter en de bal kan ik al aardig vinden. Althans, mijn paard weet veelal waar de bal te vinden. Deze paarden zijn zo ontzettend goed getraind dat ik aardig wat kan laten zien door simpelweg te blijven zitten. Het is een zware sport, die rare poses en manouevres, alles draait om snelheid, timing en vooral durven: het elkaar wegduwen met de paarden is niet één van mijn favoriete oefeningen, ondanks dat de paarden getraind zijn niet te steigeren en het opmerkelijk is dat zij daar schijnbaar lol in hebben. Soms zoeken ze elkaar op om de duw-manoeuvre in te zetten. Evenals de harde klappen die over het hele veld te horen zijn: het zijn de paarden die direct reageren en het open veld in galopperen, rest de ruiter (ik verkies ‘Amazone’) de richting te sturen en de actie netjes af te maken met een waanzinnig doelpunt.

Het leven in Oxford bevalt goed. De studie is goed te volgen, interessant en ik vind het heerlijk mijn boeken te pakken en ergens in de stad in het voorjaarszonnetje met een kopje koffie te leren. De omgeving neem ik nog iedere dag met ontzag in mij op. Het blijft ondenkbaar prachtig. Zelfs de Oxonian-vogeltjes hier zijn dolgelukkig, en ietwat verward, althans dat maak ik op uit het getjilp dat zich vanaf midden in de nacht aandoet. Het is ‘s nachts op mijn fietsje een rustgevend geluid. En ook vanuit mijn bedje is het toch wel heel zalig om met open ramen de volgeltjes te horen tjilpen, ondanks de meest absurde tijden in de nacht. De pubs in Oxford zijn ook altijd druk en levendig, de Engelsen maken er een dagsport van om uit het werk de pub in te duiken. De meest fameuze is toch wel Turf Tavern, waarover ik graag wil mededelen. Ontstaan in 1371 en nog steeds fier overeind. Gebouwd vlak buiten de stadsmuren vanwege illegale praktijken (als haangevechten en blote-vuist-gevechten), de imposante stadsmuren zijn nog steeds te zien. Anno 2012 bevindt de pub zich in hartje centrum, verborgen tussen de oude stadsmuren en Oxford University gebouwen. Steegjes en gangetjes leiden tot een prachtig bescheiden terras en een heel gezellige pub. Een ontmoetingspunt voor studenten. En altijd druk. Ik vind het heerlijk om de eeuwenoude pubs te bezoeken, de ruimtes ademen als het ware de geschiedenis dat zich daar heeft afgespeeld. En als muren konden praten.. Ja, dan zou ik avond aan avond zitten luisteren naar de eeuwenoude verhalen over ridders te paard, moedig en strijdvaardig bij de stadsmuren en over andere historische Oxonians.

3 reacties

Opgeslagen onder Oxford

Onder de Groten der Aarde

Het is begonnen, een nieuw avontuur in het buitenland! Dit maal ben ik in de UK beland, iets dichter bij huis en welteverstaan in Oxford. De prachtige Universiteitsstad ligt een uurtje ten Noord-Westen van Londen. Met mijn ouders en een overvolle auto is de oversteek vanuit Calais gemaakt. Een autorit van ongeveer acht uur bracht ons halverwege de middag in Oxford. Een zacht stralende zon verwelkomde ons in Oxfordshire, een uitgestrekt landschap met groene heuvels en valleien - waardoor ik even in de veronderstelling was dat we de afslag naar Schotland hadden gemaakt. Een prachtig Engelse streek, die mij deed denken aan rondhobbelende hobbits en hun ronde huisjes tegen de heuvelzijdes. Ondertussen reden we gestaag Oxford binnen, een eeuwenoude universiteitsstad met fascinerende gebouwen die een sprookjesachtige indruk achterlaten. Mijn fantasie slaat er regelmatig hevig van op los. Zo doet de stad mij denken aan de verhalen van Charles Dickens, alsof zijn personages ieder moment uit een steegje kunnen lopen en onopvallende deelnemers worden van het dagelijks leven. Oxford is aan alles te zien en te voelen een eeuwenoude stad; gebouwen van honderden en honderden jaren oud (jaartallen als 1345 passeren de revue..), de straatverlichting zorgt voor sprookjesachtige uitstralingen. Alles ademt de betoverende sfeer van middeleeuwse taferelen.
En Harry Potter.

De dagen daarna hebben we Oxford bezichtigd; de binnenstad, musea en kastelen maar ook de universiteit en studentenkamer. Alles is heerlijk (afgezien van een paar flinke heuvels) op fietsafstand af te leggen en ik ben dolgelukkig mijn Haarlemse fietsje te hebben meegebracht. Ondanks dat er Universiteitsbussen voor de deur stoppen, verplaats ik mij al fietsend opperbest en comfortabel door Oxford.

Meerdere malen moet ik mijn fantasie tot bedaren brengen: geen Frodo. Geen Harry. Geen Scrooge. Ik kan mij uitermate goed voorstellen dat menig wereldwijd bekend verhaal zich van oorsprong in Oxford hervindt. Het is dan ook niet vreemd dat Oxford met haar adembenemende omgeving een inspiratiebron is geweest voor enkele beroemde schrijvers uit de geschiedenis. Neem Lewis Carroll, die het jonge meisje Alice leerde kennen als dochter van een collega-docent, en haar als muze zag voor het schrijven van Alice in Wonderland (jawel!).
Maar ook J.R.R. Tolkien, schrijver van de fameuze Lord of the Rings verhalen, verliet zijn geboorte land Zuid-Afrika (oh joy!) om zich in Oxford te huisvesten (kan ik ook direct mijn gedachtes begrijpen die opkwamen bij het binnenrijden van Oxfordshire).
Laat ik niet vergeten de Ierse auteur van de Narnia-reeks te noemen, C.S. Lewis, die vanaf zijn studietijd in Oxford is gebleven. Hij deed zijn inspiratie op na de kerkdiensten: waarbij de auteur en andere kerkgangers door dikke kleden de uitgang betraden, en bij buitenkomst  recht voor hen een massief houten deur zagen waarbij de welbekende Narnia-karakters Mr. Tumnus en Aslan in worden herkend, bij het rechtsafslaan is De Lantaarnpaal uit de Narnia-verhalen te herkennen. En als kers op de taart bleek C.S.Lewis ook nog met best-buddy collega-schrijver Tolkien wekelijks te vinden in pub the White Horse. Ik kon het dan ook niet laten na een museumbezoek mijn ouders richting deze pub te leiden en van de sfeer te proeven die deze fameuze auteurs jarenlang en jaren geleden in Oxford hebben gevoeld en geïnspireerd.

C.S. Lewis' inspiratiebron voor Narnia?
C.S. Lewis’ inspiratiebron voor Narnia?

Op het moment dat mijn ouders en ik Christ Church bezoeken (Cathedraal en tevens College van de Universiteit die stamt uit 1525) waan ik mij -tegen beter weten in- meerdere keren op Zweinstein (Hogeschool voor Hekserij en Hocus-Pocus – iedereen kent het wel). Menig toverspreuk prevel Zweinstein Hogeschool voor Witchcraft and Wizardryik in de heuse Hogwarts wandelgangen, maar nergens komen de verborgen deuren of verschuivende traptreden ten tonele. Tot mijn genoegen heb ik mij wel in de Grote Zaal en de spectaculaire gangen van Zweinstein  begeven, want Christ Church heeft -hoe kan het ook anders- als inspiratie geboden voor de filmversies van Harry Potter. 

Al met al geeft het toch rust in het hoofdje dat ik een heel andere studierichting op een heel andere universiteit ga volgen (alhoewel ik mij graag had aangesloten bij de Griffoendors). De eerste week bestond voornamelijk uit introductie: kennismaking met andere (internationale) studenten, kiezen van vakken, lesrooster en memorabele uitstapjes in Oxford en omgeving. Er zijn intussen weinig woorden meer nodig om de indrukwekkendheid van Oxford te omschrijven. Daarentegen is Stratford-upon-Avon hier wel nog even het vermelden waard. Voor de echte aanhangers onder ons is verdere uitleg overbodig. Het gaat hier om de geboorte- en sterfplaats van niemand minder dan Dhr. Shakespeare, zeer -en meer dan- befaamd theaterschrijver en dichter.  Het is interessant om de geboorteplaats te zien; waarbij de meeste huizen van hem danwel familieleden nog te bezichtigen zijn, en de kerk waarin hij begraven ligt is absoluut de moeite waard. Ondanks dat Shakespeare meerendeel van zijn tijd in Londen doorbracht, bleef zijn gezin en daarmee het gezinsleven zich in Stratford afspelen. En daarmee is alles over Stratford-upon-Avon wel gezegd: met deze historische feiten is het niet meer dan Shakespeare-toerisme.

Al met al enerverende ervaringen die de tijd snel doen gaan. Ik leer iedere dag wel nieuwe dingen over de taal, cultuur, studie, geschiedenis van de stad of -heel simpel- de omgeving. Ik ben mij al snel thuis gaan voelen op de campus, waar ik met zes gezellige huisgenootjes woon, en ook op de universiteit weet ik mijn weg aardig te vinden. Het Engels is heel goed te volgen, de vakken zijn prima te doen. Kortom, het Engelse leven in Oxford bevalt fantastisch. Maar het is toch ook voornamelijk dankzij de sfeer van de stad, die inmiddels aanvoelt als thuiskomen.

4 reacties

Opgeslagen onder Oxford

Yellow Brick Road

Het is onvoorstelbaar hoe veel veelzijdigheid het land mij in mijn korte verblijf heeft laten zien. Niet alleen in de afwisselend voorbijrazende landschappen zoals het volgebouwde, druk bewoonde en stedelijke Melbourne en Sydney; het verlaten en aftandse Alice Springs; het tropische vakantieoord Darwin en Broome; de witte stranden en blauwe zeeën van Exmouth en Coral Bay, de adembenemende wereld onder water ; de begroeide bergen en heuvels, de gekleurde bloemen en groene bomen en het onophoudelijke en onverwoestbare rode zand. Maar ook variërend in temperaturen: het herfstachtige weer en ijzige kou in Melbourne, waar ik door werd verrast na vertrek uit het destijds hete Nederland; de frisse lente in Sydney, wat de dagen in deze stad heerlijk begaanbaar maakte; tropische buien in het broeierige Alice Springs, afgewisseld met een heerlijk zachte en welkome wind; en het bloedhete Darwin, waar de zon de volledige dag scheen, geen wolken te zien, geen zuchtje wind te voelen en waar de nachten nog steeds benauwd waren. De (in verhouding tot Melbourne en Sydney) relatief rustige stad Perth was een verademing na de afgelegen natuurgebieden en kleine toeristische dorpen. Een opmerkelijke hoeveelheid afwisseling en veelzijdigheid.

De roadtrip heeft mij doen denken aan de dappere Dorothy in the Wizard of Oz, waar zij met haar glimmende, rode schoentjes over de yellow brick road haar tocht afgelegd. Nu zijn de wegen in Australië (over het algemeen) goed begaanbaar -mits men niet van de route afwijkt- en grijs van kleur, en draag ik geen rode toverschoentjes maar gympies en slippers. Ook heb ik tot mijn grote verdriet mijn twee lieftallige Toto’s thuis moeten laten en bestaat mijn reisgezelschap niet uit een robot, leeuw en vogelverschrikker maar heb ik mijn zus als compagnion, om onze eigen weg van yellow brick stones af te leggen door Australië.

Maar tot slot durf ik wel te zeggen: een net zo onvergetelijk en magisch avontuur als Dorothy en haar kameraden in het land van Oz.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Expeditie Australië

Finding Nemo

Met gesloten ogen laat ik mij meevoeren door de lichte stroming van de zee. De zachte golfslag creëert een lichte, rustige deining waar ik mijzelf als een losse pop in laat meedrijven. Ik concentreer mij op mijn ademhaling en even lijkt het alsof ik alleen op de wereld ben. Boem! – Excuse me. Een klein jochie zwemt met zijn semi-duikoutfit hard tegen me aan. Hé! Heb jij je duikbril niet op? Beter kijken! Met een kloppend hart vervolg ik mijn trance. Ik laat mij weer door de rustige golfslag meevoeren en luister naar mijn constante ademhaling. Ditmaal houd ik mijn ogen geopend en volg ik de vele vissen die langs zwemmen: kleine visjes in grote scholen, grote vissen die alleen zwemmen, de meeste met prachtige kleuren, sommige bijna doorschijnend wit.

Vandaag snorkelen mijn zus en ik aan de stranden van Exmouth. Onze eerste stop hebben wij op aanraden gekozen voor het strand met veel rotsen en weinig zand, maar waar de zee pal voor de neus begint – even de smalle klif af en de fanatieke snorkelaar staat tot zijn middel in het water. Even uitkijken voor de scherpe rotspunten en het koraal, maar na een kleine meter kunnen de voetjes van de grond en kan er gezwommen worden. Met een fantastische snorkeluitrusting klim ik onhandig doch elegant over de rotsen richting de zee, met een charmante beweging stort ik mijzelf te water – haastig wegzwemmend van de scherpe gesteente in de zee. Duikbril op, snorkel omhoog – en ik kijk een totaal andere wereld in. De onderwaterwereld is adembenemend; de rust van de zachte golving, felgekleurde zeesterren, prachtige vissen – bijna even nieuwsgierig kijkend als hoe ik hen aankijk – en het prachtige koraalrif. Als ik mijn duikbril weer afzet en rustig blijf dobberen in het water, zie ik talloze mede snorkelaars met de koppies in het water, de snorkels omhoogstekend en de flippers vlot voortgangmakend; verwoede zwempogingen om de prachtige vissen bij te houden en de riffen mogelijk rondom te bekijken. Een fascinerende wereld.

Het volgende snorkelpunt verkozen wij op het strand van Coral Bay, een kleine stad bestaande uit één straat op 1200 km ten noorden van Perth (ons eindpunt) en een kleine 140 km vanuit Exmouth. De eerste 25 meter vanaf het strand blijft de zee op enkelhoogte, enkele meters verder zie ik de verkleuring – de donkere vormen geven gemakkelijk aan waar het rif zich bevindt. Ik zet mijn duikbril weer op en trek de flippertjes aan om vaart te maken. De wereld onder water lijkt in vergelijking met Exmouth schoon en leeg, een enkele vis passeert terwijl ik richting de donkere vormen zwem. Vanuit mijn ooghoek zie ik een grote vis op korte afstand langs zwemmen, het lijkt alsof hij mij met een schuinoog aankijkt en observeert. Als hij van koers verandert merk ik pas op dat hij rechtstreeks op mij afkomt, een soepele duik richting bodem maakt en rustig maar doelgericht naar mijn bovenbenen zwemt. Het is onmiskenbaar dat de vis aan mij wil happen. Van schrik werp ik mijzelf naar achteren, weg van de vis. Als ik mijzelf weet te hervinden en de donkere vormen in de verte weer in zicht heb, kijk ik weer onderwater. Voor de zekerheid zwem ik een aantal rondjes om mijzelf heen om de kust veilig te verklaren. Vanuit de verte zie ik de vis weer aankomen, ditmaal met een tweetal dito vrienden. Ook al zijn zij in de natuurlijke omgeving en bevind ik mij in hun territorium – wat kan een vis nu uithalen? Het drietal komt ongemakkelijk dichtbij en blijft mij met één oog aankijken terwijl ze duidelijk nieuwsgierig doorzwemmen en wederom van mij willen proeven. Ik zie het de vissen bijna denken; wat een gekke zwemmers! Ik voel mij ontzettend zelfbewust door de starende ogen. Duidelijk dat ik niet in deze onderwaterwereld thuis hoor, probeer ik de vissen te negeren en met de flippers flink vaart te maken richting de diepere wateren. Oncomfortabel draai ik mij om – het drietal is tot mijn verbazing net zo hard mee gezwommen als dat ik ben verplaatst, op exact dezelfde afstand blijven zij mij nogmaals indringend kijken. Oké oké! Ik begrijp dat ik enigszins afwijk van de gemiddelde zeebewoner – maar móet dit zo lomp worden overgebracht? Ik heb het niet zo op de happers. Ik voel mij zeer ongemakkelijk en besluit terug richting het ondiepe water te gaan om een ander koers te bepalen, eenmaal voeten aan de grond blijf ik boven het water kijken – tot mijn verbazing zie ik drie schaduwen mijn richting op zwemmen. Snel zet ik mijn duikbril op om vervolgens mijn vermoeden te bevestigen: de vissen komen mijn kant op! Ditmaal begeef ik mij op mijn terrein: met het zand onder mijn voeten en het lage water, trek ik een sprintje richting het strand. Halverwege draai ik mij nogmaals om, de drie schaduwen zie ik langzaam voortbewegen. Het spijt mij de nieuwsgierige vissen teleur te stellen, maar ik bekijk hen toch liever op afstand.

2 reacties

Opgeslagen onder Expeditie Australië

Brooming Bee’s

Na ruim 800 kilometer te hebben afgelegd in slechts drie dagen, draaien wij onze mini-campervan een parkeerterrein op in de stad Broome. Een stad gelegen aan de noord-west kust van Australië. De afgelopen nachten hebben we doorgebracht op rest area’s – as simple as it sounds – plaatsen langs de kant van de weg waar reizigers kosteloos kunnen overnachten in hun auto (of meestal caravan). Deze plaatsen zijn om de zo veel (behoorlijke) kilometers langs de grote snelwegen te vinden, ietwat afgelegen om gevaarlijke taferelen te voorkomen. Het brengt ontzettend veel rust en ontspanning met zich mee om de nachten in prachtige maar pikdonker en muisstille natuurgebieden door te brengen; het ‘s ochtends worden wakker geloeid door een kudde grazende koeien en het worden begroet door een tweetal vrolijk langs springende kangaroo’s – de omgeving is ontzettend puur. De landschappen die overdag voorbij razen zijn adembenemend. De meest onvoorstelbare boomsoorten, prachtig gekleurde bloemen en immense keien scheren langs en plezieren mijn ogen met een prachtig uitzicht, gaandeweg veranderd het landschap van het dieprode zand, naar mosgroene heuvels. Laagvliegend bereiken wij 800 kilometer vanuit Darwin de stad Broome, de stad die in de 20e eeuw bekend stond om de parelvisserij en hier nog steeds met trots de aandacht op vestigt: vele juweliers bieden uiteenlopende parels aan, met prijzen niet te betalen voor een budgettoerist.

In Broome besluiten mijn zus en ik een kamelentocht te organiseren, een dierbaar gekoesterde wens van zuslief. Na een vlotte boeking bij het lokale toeristenbureau werd deze flamboyante bezigheid al gauw werkelijkheid: een kamelentocht bij zonsondergang! En hoe langer de dag vorderde, hoe meer mijn zus en ik het beeld van ons ieder op een kameel hadden geromantiseerd; dravend over het strand, laagstaande zon, wind door de haren..
Niets bleek minder waar. Eind van de dag werden wij met tal van toeristen verwacht op het strand. Om mijn enig gevoel van gêne te verminderen, stapte ik met een grote zonnebril op de rug van een kameel – met enige mate incognito. Althans, zo dacht ik. Een enorme rij van welgeteld achttien kamelen, aan elkaar gebonden met een touw (stel je voor dat er ééntje op hol slaat… ik probeerde dit beeld angstvallig te vermijden), twee toeristen per kameel vervoerend; kon het natuurlijk niet anders dat dit fenomeen de aandacht zou trekken op het populaire strand van Broome. Als een heuze karavaan door de woestijn brachten talloze toeristen een uur lang een tocht door op de rug van een kameel. Mijn zonnebril zat gelukkig goed op het hoofd geklemd. Hoe lager de zon ging zakken, hoe meer strandgangers de camera’s tevoorschijn haalden en foto’s begonnen te schieten van de langsklossende stoet kamelen. In eerste instantie voelde ik mij als een derde eeuws nomaad die met haar trekkende karavaan de weerbarstige Sahara doorkruiste. Naarmate de flitsende camera’s toenamen, werd dit gevoel eerder één van een celebrity. Schitteringen van enorme telelenzen en handcamera’s; ik glimlachte en zwaaide naar allen – alsof ik mij op een rode loper begaf bij de première van mijn nieuwste filmproductie. Mijn zonnebril is gedurende de avond overigens niet meer afgegaan.

Omdat Broome zo’n bruisende populaire stad is -en met name redelijk afgelegen ligt- waren alle campings al volgeboekt. Na een heerlijke dag in Broome te hebben doorgebracht werden wij verbannen naar de dichtstbijzijnde rest area. De volgende ochtend werden we al vroeg wakker gezoemd door een bezig bijtje bij het afgesloten raam – die koste wat kost een weg naar binnen probeerde te vinden. Na enkele luttele minuten van zoemen en zoeken vond de bij (wonder boven wonder) een ingang in het ventilatiedopje in het dak. Het zoemen werd luider en luider en de bezige bij was niet van plan ons te laten slapen: wakker worden! Een volle blaas dwong mij de commando’s van de bij op te volgen, ik stapte de vroege ochtend fris tegemoet – tot mijn oog viel op een achttal bijen die voor het raam bleven zoemen en zweven, klaar om naar binnen te schieten wanneer de deur zich openden. De druk op mijn blaas deed mij twijfelen in de openstaande deur: een moment van zwakte die de bijen direct aanpakten door vlug naar binnen te schieten. Ik maakte gauw de keuze mijn blaas te verlichten en terug naar binnen te duiken – de bijen hadden een ander plan. Een, naar het leek, gehele kolonie dook van alle kanten plotseling op. Ditmaal was twijfelen overbodig: terug de camper in! Met een razend tempo probeerde ik de buitenste bijen te weren en de binnenste bijen de weg naar buiten te forceren. De eigenwijze bijen gaven geen blijk van medewerking en plan B werd ingezet. Ik dook over de tassen, ontweek het keukenblad en klom de bestuurderstoel op – ditmaal sneller dan de bijen doorhadden maakte ik contact en schoot ik het parkeerterrein af. Mijn zus was in de tussentijd wel wakker geworden van gezoem, gestommel en gevloek, maar bleef verdwaasd liggen. De rijdende auto maakte haar bed tot een golvend luchtbed op een woeste zee. Mijn gedachten waren ondertussen nog steeds bij de vastberadenheid van de bijen: wat als het killerbee’s zijn? Onbewust ging het gaspedaal nog verder in. In mijn achteruitkijkspiegel leek de krijgsmacht zich in volle snelheid in officiële aanvalspositie op te stellen en de camper te achtervolgen. Killerbee’s – die kunnen hun vijand (alhoewel ik mij eerder een prooi voelde) toch tot 40 kilometer achtervolgen? In gedachten verzonken zette ik mijn linkervoet nog iets dieper in het pedaal. Eenmaal op veilig geachte afstand doken we laagvliegend het parkeerterrein van een roadhouse op om de ochtendrituelen voort te zetten – alhoewel ik op afstand nog steeds het luide gezoem kon horen.

2 reacties

Opgeslagen onder Expeditie Australië

Darwin’s Ontdekkingsreis

Na het terrein van de cowboys, de eenzame windmolen en aftandse omgeving achter ons te hebben gelaten, zijn we naar het noorden vertrokken. Na wederom een vliegreis van zo’n twee uur, zetten wij voeten aan de grond in de hoofdstad van het Noordelijk Territorium van Australië, Darwin. Na te zijn vertrokken uit de wild westen sferen van Alice Springs, associeerde ik alles met ‘territorium’ met enigszins lichte paniek, maar al snel na aankomst bleek deze fobie wat betreft Darwin ongegrond te zijn. Luttele minuten na het aannemen van de koffers, begaven wij ons richting de buitenlucht. Een benauwende, dikke lucht omarmde ons al snel. Felle zonnestralen forceerden ons terug de schaduw in. Wat een enorme omschakeling van wat wij tot nu toe gewend waren! De airconditioning en de open ramen in het shuttlebusje voelde aangenaam aan. De busrit door de stad heeft ons een aantal heerlijke, ontspannen minuten gebracht. Mijn hartslag keerde gestaag terug naar acceptabele snelheid – geen verlaten gebouwen, geen afgebrokkelde reclameborden, geen aftandse winkelcentra. Met zonnebril op hebben wij door de open ramen onze haren laten wapperen en onze ogen uitgekeken. Darwin omarmde ons hartelijk en bracht een aangename vakantiesfeer met zich mee, de stad bestond uit palmbomen, het ruizen van de zee en 21e eeuwse winkelcentra. Een verademing! De zomerse sferen deed ons heerlijk relaxen, de slippertjes en bikini’s konden uit de rugzak worden geplukt, de korte shorts aangetrokken. Het hostel voor de nacht had een heerlijk zwembad, een prachtige bar en een mooi zitgedeelte waar de koude colaatjes af en aan gebracht werden.

De volgende dag werden wij vroeg opgehaald voor een tweedaagse tocht in het Kakadu National Park. De eerste dag bestond uit de ontmoeting met een olijfkleurige python en springende krokodillen. Springend? Ja – springend. Met een tweeverdieping tellende boot, werd een stok (natuurlijk op de hoogste verdieping) uit de boot gehangen, boven het water. Aan het einde van de stok was een groot stuk vlees vastgebonden wat de krokodillen in beweging zetten. Een soort koekhappen voor reptielen. Wat de krokodillen niet wisten, is dat wanneer zij drie keer naar het stuk vlees hadden gesprongen, zij meer calorieën hadden verbrand dan het stuk vlees wat zij te pakken kregen. Dus, eerst drie keer springen, dan pas het gerecht eten. Sonja-Bakker verantwoord. Indrukwekkend om de gemene reptielen op enkele meters afstand te zien springen en al loerend voorbij te zien drijven, maar de python heeft toch meer indruk achtergelaten. Het vasthouden van de gigantische slang was als het gewichtheffen van één bonk spier. Ook de schubben waren een heerlijke verkoeling met de steeds warmer wordende zon.

Tegen het middaguur stond de zon zo hoog, broeiend aan de hemel dat de beloofde zwemtocht als een perfecte timing ingeroosterd was. Eerst werd een bezoek afgelegd naar de landstreek van de mieren. Al gauw doemde immens hoge mierenhopen op die tot negen meter reikten. De kleiachtige bergen waren als beton zo hard -en sterk- en de bezige miertjes bouwden één meter per jaar op hun nest. Negen meter-bergen staan gelijk voor negen bouwjaren. Een verbluffend fenomeen! Een korte klimtocht richting meer deed het verlangen naar een koele duik groeien. Plotseling doemde zich een enorme bergwand op, een metershoge, steile bergwand die als een dreigend schild het water in bescherming stelde. De felle zon weerkaatste een prachtige schittering op het heldere, uitnodigende water. Het water was koud, maar een zeer welkome verkoeling in de broeierige middagzon. De prachtige bergwand, het omringende groen en de kletterende waterval maakte het een idyllisch geheel. Een verborgen paradijs wat de klimtocht in de felle zon meer dan waard is geweest.

Pas ‘s avonds na het opzetten van het tentenkamp, werden ook de kanttekeningen van het Kakadu National Park zichtbaar. Een simpele tocht naar het toiletgebouw resulteerde in een ijselijk gegil en paniekerige handelingen. Met mijn zus als dappere escorte, liep ik met een bouwlamp vastgeklemd in mijn beide handen al trillend en met snelle pasjes naar het toilet gebouw. Alsof ik een ingebouwde radar bezit, dwongen mijn handen mij de bouwlamp naar mijn rechterzijkant te schijnen. Centraal in het cirkelvormige licht zat een enorme, witte spin (size vogelspin) op de buitenwand van het toiletgebouw. De caravan die op enkele meters van het gebouw afzaten produceerden een zacht gegrinnik. Vandaar dat die mensen hun campingstoelen richting het gebouw hebben gezet – puur leedvermaak! Mijn ijselijke gil alarmeerde ook mijn zuster, die doodleuk een aantal foto’s heeft geschoten van de -gelukkig- onbeweeglijke spin. Vluchtig werden de nodige zaken in het gebouw verricht, eyes on the enemy, en in raptempo linea recta de slaapzak in. En ook nadat hier mijn hartslag weer tot rust was gekomen, de zweethandjes waren weggetrokken, kon ook ik daadwerkelijke genieten van de prachtige omgeving. Ditmaal sliepen we in een tent met alleen de binnentent als beschutting, slechts het gaaswerk. De buitentemperatuur was heerlijk zacht en aangenaam, de volle maan maakte dat we door ons dakgaas heen konden kijken naar de heldere sterrenhemel. De tocht werd ‘s ochtends compleet gemaakt door het wakker worden met de digeridoo als wekmiddel. Ik heb er heerlijk geslapen.

1 reactie

Opgeslagen onder Expeditie Australië

Hill Billy heritage

Een aantal enerverende dagen in Sydney hebben wij beleefd met een bezoek aan het Opera House, de Harbour Bridge en een prachtige tocht door de Botanical Gardens. We hebben het stadscentrum bezocht en Maaike heeft mij laten zien waar haar huisje was bij de inwijding van het nieuwe jaar – het geluk was met ons dat de voordeur van het appartementencomplex open stond voor de aanwezige technische medewerkers. Snel zijn we naar binnen geglipt en heeft Maaike mij naar het dakterras genomen, waar een prachtige uitzicht van Sydney op ons lag te wachten. Het Opera House lag achter een prachtig, groen dek van bomen, de zon deed de rivier voor het Opera House schitteren en de Harbour Bridge lag daarachter in een wegtrekkende, lichte wolkenmist. Het zachte lenteweer maakte van onze dagen in Sydney een heerlijk stadsbezoek.

Onze volgende stop werd Alice Springs; met een vliegduur van 3.5uur stonden wij in het centrum van Australië. Vol goede moed stapte ik het vliegtuig uit, met vaste voet op de grond – Alice Springs, ook wel de Red Centre genoemd. En geweten heb ik waarom.. Het rode zand was onvermijdelijk en heeft de zeer sterke evolutionaire ontwikkeling ondergaan door zich vast te plakken aan alles waar het aan komt, met andere woorden: het is nauwelijks van kleding af te kloppen, slaapzakken hebben vlekken, om over mijn schoenen maar niet te spreken. Maar om toch de goede naam van de Red Centre naar voren te halen, moet ik ook spreken over de prachtige dieprode kleur die het zand heeft, de fijne (bijna zachte) structuur en heeft de rode gloed van de omgeving een prachtig, betoverend aanzicht.

Alice Springs zelf heeft mij daarentegen versteld doen staan. Gezien Alice Springs zich zeer afzonderlijk van enig bewoonbare stad begeeft, had ik mij al een voorstelling proberen te maken van vrachtwagens die de inwoners van alledaagse producten voorziet. Nimmer had ik de indruk verwacht die Alice Springs heeft achtergelaten. Al vrij snel bij aankomst op de luchthaven van Alice Springs werden wij verwelkomd door een schreeuwend, aftands welkomstbord. De luchthaven is klein, zeer klein: er is een aankomsthal en een vertrekhal – en om een duidelijker beeld te schetsen van de grootte van beide hallen: ze bevonden zich in dezelfde ruimte. Een aankomstdeur en een vertrekdeur (schuifdeuren, dat hadden ze dan weer wel). De route naar het hostel deed mijn voorstellingen geen eer aan; naast het aftandse bord op de luchthaven, verschenen er langs de snelweg meerdere versleten reclameborden. De één ‘slechts’ verweerd; aangetast door regenbuien, wind en zon, anderen volledig door de houten steunpalen gezakt. Ook de passerende woonwijken leken te zijn stilgestaan in de tijd; aftandse woonhuizen, doorgezakte raamkozijnen, scheve deuren en verwilderde tuinen. Zelfs de spaarzame voetganger leek te zijn opgegaan in de omgeving; ouderwetse kleding, sjokkende houding, alsof men sinds de jaren ’60 geen enkel contact met de buitenwereld had gehad. De route richting het stadscentrum werd er niet veel beter op. Er kwam maar één woord in mij op: hill billy’s.

Het stadscentrum van Alice Springs deed mij denken aan het Wilde Westen, zoals de welbekende stereotype cowboys en saloons of zoals de weerbarstige omgeving waarin Lucky Luke zijn avonturen beleefd. Het kleine stadscentrum deed zich verlaten aan, hier en daar een voorbijganger en hoofdzakelijk speelde zich in mijn hoofd het welbekende Wilde Westen soundeffect (dat hoge deuntje wanneer cowboys op het punt staan hun revolvers te trekken). Bij iedere straathoek verwachtte ik een windvlaag waarbij een opgedroogde takkenbos in alle stilte voorbij zou rollen. Bij de winkels die we binnengingen hield ik angstvallig de uitgang in de gaten, wachtend op de klappende deuren en een zwarte schim opdoemend in de deuropening; een grote hoed, brede, zwaar klikkende laarzen en de handen dichtbij de holsters.

Niets van dit alles deed zich voor, maar blij waren we dat we met slechts één nachtje slapen de georganiseerde tour zouden starten; het bezoek aan Uluru (Ayers Rock) en Kings Canyon. Gedurende drie dagen hebben we ons midden in de prachtige natuur begeven. ‘s Nachts sliepen we onder de sterren met ijzige kou in swags – legerzakken met een dun matras, waar men met de slaapzak in dient te schuiven (prettig warm als je er eindelijk in ligt – lastig om er zonder verstrengelingen in én uit te komen). We zijn over en in Kings Canyon geklommen, rondom de Ayers Rock gelopen en deze op enige afstand bekeken bij zonsopgang en zonsondergang. Uluru heeft het fantastische verschijnsel om zich gedurende de dag in zes kleuren aan te doen, door de stand van de zon kleurt deze tussen geel, paars en donkerbruin. Een buitengewoon natuurverschijnsel en fascinerend om op afstand te zien gebeuren.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Expeditie Australië